5 augustus 2015

Na een paar uur, met wat hulp van Temazepam, te hebben geslapen, worden Eric en ik om half zeven wakker. Eric heeft vreselijke honger en drukt op de bel. De verpleegkundige komt en we krijgen een kopje thee met biscuitjes.

De tranen lopen over mijn wangen en de leegte in mijn hart is ondraaglijk. Ik voel aan mijn buik. Hij is hard, maar de krampen zijn in geen velden of wegen te herkennen. Het maakt mij vreselijk bang. Ik zou zo graag willen dat de weeënopwekkers aan zouden slaan. Ik had gehoopt dat ze vannacht zouden komen, maar er is niets gebeurd. ‘Hoelang moet ik hier in het ziekenhuis nog liggen voordat ons kindje geboren wordt?’

Huilend stap ik uit het ziekenhuis bed en ga onder de douche. Het warme water stroomt over mijn lijf en mijn warme tranen stromen mee. Ik kijk naar mijn dikke buik. De buik waar ik zo trots op was, waar ons kindje in groeide. De veilige warme plek voor een baby. ‘Waarom heeft mijn lichaam mij zo in de steek gelaten?’

Ik droog mij af en trek mijn nachthemd weer aan. Ik denk terug aan het moment dat we het nachthemd kochten. Het was in week zesendertig. Eric was helemaal in de ban van het vluchtkoffertje. Het moest en zou in die week in orde gemaakt worden. En zo gingen we met de baby-uitzetlijst in de hand naar de winkels om de laatste spullen te kopen. Volgens Eric moest en zou ik ook een nachthemd aanschaffen. Hij vond het een belachelijk idee als ik in het ziekehuis in een t-shirt rond zou lopen. ‘Dat is toch helemaal niet fijn in zo’n kort t-shirtje met je onderbroekje er onder in het ziekenhuis?’ Ik kon hem geen ongelijk geven, dus liet ik mij in de Hunkemöller overhalen tot het kopen van een nachthemd. De rest van de spullen die op de lijst stonden werden gekocht en het vluchkoffertje maakten we deels in orde. Netjes stond het beneden onderaan de trap te wachten totdat we naar het ziekenhuis zouden moeten.

Wanneer ik de douche uitloop kijk ik naar het vluchtkoffertje. Ik krijg een brok in mijn keel en mijn tranen branden. Gisteren hebben we al huilend het koffertje verder ingepakt. Het laatst gekochte rode broekje, het witte truitje en het bijpassende mutsje hebben we voor het kindje meegenomen. Geen luiers, geen maxi cosi. Wel mijn nachthemd en kleding voor Eric. Op advies van de verpleegkundige heeft Eric de camera ook ingepakt. Zo kan Eric foto’s maken tijdens de bevalling. Het moment dat we ons kindje voor het eerst en voor het laatst gaan zien. ‘Hoe pijnlijk is dat?’

Om half tien worden de eerste weeënopwekkers voor vandaag toegediend. Mijn buik is nog hard, maar ik heb nog steeds geen weeën. De verpleegkundige vertelt dat ik, zodra ik enige pijn voel, direct om een ruggenprik kan vragen.‘Weet je hoeveel pijn ik heb?’ denk ik. ‘Ik zou willen dat ik alleen maar fysieke pijn zou hebben. Dat gaat over, daar is een ruggenprik voor. Mijn hart is verscheurd en doet zo ondraaglijk veel pijn, dat moet ik de rest van mijn leven met mij meedragen. De pijn dat ik ons kind ben verloren. Daar is geen enkel medicijn voor.’

Rond elf uur komen mijn moeder en Frans langs. We huilen met z’n allen en we denken allemaal hetzelfde. ‘Waarom lig ik hier nog zwanger in dit bed?’ Als ze weg zijn, besluiten we voor een kleine wandeling naar buiten te gaan. We nemen de lift naar beneden en lopen door de hal naar de uitgang. Achter de informatiebalie zit iemand die ik ken. Ik weet even niet zo goed wat te doen. Ergens hoop ik dat ze mij niet heeft gezien, maar het is al te laat. Een grote glimlach verschijnt op haar gezicht als zij mij ziet en dan begin ik te huilen. ‘Het is niet goed, het is niet goed.’ Stamel ik. Met grote angstige ogen komt ze vanachter de balie naar mij toe en omarmt mij. ‘Wat is er?’ ”De baby is dood.’ zeg ik met een droge keel. De tranen springen in haar ogen en ze weet niet wat ze moet zeggen. Zo staan we voor een paar minuten hopeloos in het midden van de gang. Ik voel mij net een standbeeld met haar armen om mij heen, staand in een gang waar mensen ons passeren zonder bij ons stil te staan.‘Ik wil naar buiten.’ zeg ik. ‘Hoe kan dit gebeuren?’ vraagt ze. Ik kan niets meer uitbrengen en voel een enormge moeheid over mij heenkomen. Gelukkig voelt Eric mij haarfijn aan en neemt het woord. In het kort legt hij uit wat er gebeurd is en dat we nu even naar buiten gaan. Dat begrijpt ze en ze loopt terug naar haar plek achter de balie. Ze glimlacht nog liefdevol en zegt hoe erg ze het voor ons vindt.

Buiten schijnt de zon en het is heel warm. Ik voel een zachte warme wind over mijn armen glijden. Het lijkt net of dit het eerste is wat ik sinds drie dagen bewust voel. Alsof al het andere dat ik gevoeld heb niet echt is. Dat ik dat niet heb meegemaakt. We lopen een klein rondje om het nieuwe ziekenhuis heen. Auto’s razen voorbij, mensen lachen en er loopt een hardloper voorbij. Ik zie ze, registreer het, maar kan het niet bevatten. Het leven raast door, maar voor mij staat alles stil. Niet alleen in mijn hoofd, maar ook in de ziekenhuisruimte. Als we terug zijn in het ziekenhuis ga ik weer in bed liggen. We praten over wat we moeten regelen voor de crematie van het kindje. Opeens heb ik geen goed gevoel meer over de uitvaartonderneemster. Ik kreeg gisterenavond al twijfels die ik niet heb uitgesproken naar Eric en nu zijn ze er weer. Ik uit ze aan Eric en hij herkent ze. We besluiten de uitvaartonderneemster te bellen en het zelf te regelen. Wanneer we haar bellen, reageert ze wat gepikeerd. ‘Ik had al een dossier voor u aangemaakt, nou dat kan ik nu dan weggooien.’ We zijn overrompeld door haar reactie, maar ook opgelucht dat we niet met haar in zee zijn gegaan. Eric belt nog een andere uitvaartondernemer, maar daar blijkt dat wat wij willen niet mogelijk te zijn. Onbegrijpelijk! Uiteindelijk zijn we er uit. We besluiten dat het kindje na de geboorte voor obductie in het ziekenhuis blijft. Afhankelijk van de geboorte, moeten we kijken wanneer we de crematie willen. Op dit moment zegt ons gevoel dat we het kindje niet mee naar huis willen nemen, maar misschien denken we daar na de geboorte anders over.

In de middag komen Ciska, Jacqueline en Marina langs. Marina heeft ook haar eerste kindje verloren bij een zwangerschap van achtendertig weken. Ze voelt mijn pijn en haar ogen schieten vol als ze naast mijn bed zit. We praten over mijn angst voor de bevalling en delen onze gevoelens. Zo huilen we voor een tijdje terwijl ik onder het lakentje aan mijn dikke buik voel. Het is zo stil in mijn buik en het voelt zo ontzettend koud in mijn hart. Ik ben bang. Vreselijke bang.

Na het avondeten wil ik graag het mandje zien waar ons kindje na de geboorte in komt te liggen. We wandelen naar het medicijnenhok en bekijken het mandje. Het is een lief rietenmandje met een lakentje er in. Ik vind het een mooi mandje en aai het even. De verpleegkundige die bij ons staat vraagt of we het mandje op de kamer willen. Ik wil dat nog niet. Als we terugwandelen naar de kamer ben ik als de doods dat ik gelukzalige ouders met pasgeboren baby’s tegenkom. Mijn klamme hand pakt die van Eric. Onze pas versnelt en ik denk dat hij hetzelfde voelt als ik. Gelukkig zijn we snel bij onze kamer. Als we aankomen, staat de verpleegkundige op ons te wachten. Het blijkt alweer tijd te zijn voor de volgende porsie weeënopwekkers. De arts-assistent komt en brengt de pillen naar binnen. Eindelijk gaat het soepel. ‘Maar wat wil je na tien keer de porsies pillen te hebben gekregen.’ Voor eventjes hoef ik niet te huilen en ben ik opgelucht dat het inbrengen zo vlot is verlopen. Ik trek het lakentje tot aan mijn kin en hoop heel hard dat de bevalling vannacht zal komen.

Om half tien komt Ciska nog even langs. We besluiten met z’n drieën naar buiten te gaan. Achter de balie bij de uitgang zit nu gelukkig iemand anders. We wandelen naar buiten de warme lucht tegemoet. Het is nog licht en ik vind het fijn om weer even buiten te zijn. Wanneer we ter hoogte van het nieuwe ziekenhuis lopen, krijg ik ineens enorme kramp. Ciska pakt gauw mijn hand vast. ‘Ik moet mij ergens aan vastpakken.’ roep ik. Eric begeleidt mij naar een paaltje, waar ik mij aan vastgrijp. Ik buig met mijn hoofd naar beneden en probeer goed te ademen. ‘Dit is denk ik een wee.’ De kramp zakt en we lopen verder rondom het nieuwe ziekenhuis. Bij de achteringang van het oude ziekenhuis komt er weer een wee. Net voor het rozenperkje sta ik stil. Ik grijp mij aan Eric vast. Terwijl ik de wee probeer weg te zuchten, zie ik een oudere dame met een wit hondje lopen. Ze kijkt heel gelukzalig mijn kant op en glimlacht. ‘Ze moest eens weten.’ denk ik. De wee zakt af en we wandelen rustig terug naar de ingang van het ziekenhuis. Wanneer we in de lift staan, komt er weer een wee. Het gaat nu erg snel. Ik denk terug aan de woorden van de gynaecoloog. ‘Als de weeënopwekkers eenmaal gaan werken, dan gaat het snel.’ En inderdaad, er zijn nauwelijks tussenpozes meer.

We lopen naar de verloskamer en op het moment dat we binnenkomen voel ik een plas in mijn onderbroek. Ik zeg het tegen de verpleegkundige en zij constateert dat mijn vliezen zijn gebroken. De krampen komen nu achter elkaar en ik heb vreselijke pijn. Ik schreeuw dat de pijn ondraaglijk wordt en dat ik een ruggenprik wil. De anesthesist is op dat moment niet aanwezig, maar wordt onmiddellijk gebeld. Als de arts-assistent terug de kamer in komt crepeer ik van de pijn. Eric en de verpleegkundige houden mij vast terwijl ik de weeën probeer weg te puffen. ‘De anesthesist is onderweg. Hij woont gelukkig dichtbij en heeft een snelle auto.’ hoor ik de arts-assistent zeggen. Ik kan alleen maar huilen en proberen de weeën op te vangen. Om de paar minuten vraag ik of de anesthesist er al is. Er gaat een halfuur voorbij, maar het lijkt wel tien uur te duren voordat hij eindelijk de kamer in komt. Om tien over half elf komt de anestesist. Het is een Indische man met een brilletje en een strak t-shirt aan. Een beetje een macho figuur. Hij groet mij en zegt verder niet veel. Hij opent zijn werktas en haalt snel zijn apparatuur er uit en vraagt mij op het bed te gaan zitten. Wanneer er even geen wee is, klim ik op het bed met mijn benen over de rand. Ik buig naar voren, zodat de anestesist tussen mijn wervels kan prikken. Via de naald wordt er een slangetje in de ruimte rond mijn ruggenmerg geschoven. Zo kan er via het slangetje verdovend middel naar binnen lopen. De angst, die ik had voor prikken, is door deze vreselijk situatie verdwenen. Ik hou mij groot en het idee dat ik straks de vreselijke weeën niet meer voel, maakt mij iets rustiger. Er wordt nog een kathether aangelegd en dan voel ik vrij snel de hevigheid van de weeën in pijn afnemen. De anesthesist zijn werk is klaar. Hij pakt zijn spullen in en wenst mij veel sterkte. Ik bedank hem en schuif onder de deken. Niet veel later komt de arts-assistent om mij hopelijk de laatste weeënopwekkers toe te dienen. Hier voel ik gelukkig niets meer van, want mijn gehele onderstel is verdoofd. Wanneer ik mijn benen probeer op te tillen lijkt het wel of ik het Himalaya gebergte er aan heb hangen. Ik kan ze nog wel bewegen, maar ze zijn loodzwaar. Inmiddels is Eric in het bed naast mij komen te liggen. We houden elkaars hand vast en huilen. ‘Wat een vreselijke toestand.’ zeg ik. En zo liggen we voor eventjes. We zijn moe, zo vreselijk moe, doodmoe. Ik kijk naar Eric, zie zijn uitgeputte lijf en zijn bleke gezicht. In de afgelopen drie dagen is hij tien jaar ouder geworden.

WAAROM IS HET ALLEMAAL ZO GELOPEN?

Rond twaalf uur krijgen we van de verpleegkundige Temazepam toegestopt. Eric valt vrij direct in slaap. Ik doezel een beetje, maar echt in slaap komen doe ik niet. Ik probeer mijn ogen te sluiten en niet te denken aan wat er nog allemaal gaat komen, maar ik ben bang, zo vreselijk bang. Het vooruitzicht van de bevalling jaagt mij enorme angst aan. Na anderhalfuur huilend in het bed te hebben gelegen, druk ik op de bel. Ik trek het niet meer. De verloskundige komt en ik huil de ogen uit mijn lijf. ‘Ik had mij dit allemaal zo anders voorgesteld. Ik ben zo bang.’ De verloskundige pakt een nat washandje en dept mijn voorhoofd. We praten over mijn angst en ik voel dat ik wat rustiger wordt. Ondertussen druppelt het infuus met verdovende vloeistof rustig door, maar de pijn van de weeën komt er dwars doorheen. Niet zo hevig als aan het begin van de avond, maar het rotgevoel is er weer. ‘Waarom voel ik de pijn weer?’ Vraag ik. De verloskundige antwoordt dat ze niet alles kunnen verdoven, omdat ik straks moet persen en dat aan moet voelen. Ik knik en zeg dat ik het begrijp. We spreken af dat de verloskundige en de gynaecoloog rond drie uur terug komen om te kijken hoe het gaat. Het liefst zou ik willen dat ze heel de tijd naast mijn bed zouden blijven staan, maar in plaats van dat te zeggen, zeg ik dat ik het goed is.

Om drie uur worden de weeën zo hevig dat ik het uitkraam van de pijn. Ik druk op de bel. De verloskundige en de gyneacoloog komen beiden. Ik geef aan dat de pijn ondraaglijk is. De gynaecoloog wilt weten hoe ver de ontsluiting is en voelt aan mijn baarmoedermond. Het gaat nu gelukkig vlot. Er is negen centimeter ontsluiting. Ik ga op mijn rechterzij liggen en probeer de weeën weg te zuchten. Dit lukt aardig. Er gaat een uur voorbij waarin ik alleen maar kan denken dat ik liever dood zou zijn, dan nog een minuut hier te liggen met dit vreselijke gevoel in mijn onderstel. De gynaecoloog en de verpleegkundige beloven mij aan mijn bed te blijven en te ondersteunen tot ons kindje geboren wordt.

Om vijf uur wordt het gevoel dat ik naar het toilet moet zo erg dat de gynaecoloog aangeeft dat ik nu mag gaan persen. Eric houdt mijn hand vast en ik pers mij een ongeluk, maar de weeën zakken af en ik voel niet meer wanneer ik moet persen. Alsof je iets om wilt duwen, maar niet weet wanneer je dat moet doen. Het voelt vreselijk nutteloos. Ik zet kracht, maar er komt niets in gang. Er wordt een ander infuus aangesloten met extra weeënopwekkers, zodat ik de perswee beter voel en actief mee kan persen. Het duurt voor mijn gevoel allemaal heel erg lang voordat de persweeën echt actief komen. De gynaecoloog legt uit dat ze de vloeistof geleidelijk moeten toedienen en dat de weeën bij mij afnemen, omdat ons kindje niet leeft. Ik kan alleen maar denken dat ik van de pijn af wil en dat het kind geboren moet worden. Wanneer ik een perswee voel begin ik keihard te persen en wil ik niet meer stoppen.

HET IS KLAAR NU. IK WIL NIET MEER.

WANNEER IS DEZE HEL AFGELOPEN?