De geboorte

Om tien over half zes in de morgen wordt ons kindje geboren. Ik ben kapot en zo ontzettend blij dat het kindje er uit is. Hij wordt tussen mijn benen gelegd. Eric kijkt mee en is heel trots op mij en op zijn kind. Ik zie het aan zijn gezicht.

‘Wat is de naam van het kindje?’ Tussen onze tranen door zeggen we vol trots: ‘Bram!’ Ik huil en zeg zachtjes: ‘Brammetje, ons lieve kindje.’ Eric knipt de navelstreng door. De verpleegkundige pakt Bram op en veegt hem schoon, terwijl ik nog een paar keer moet persen voor de placenta er uit komt. De gynaecoloog zegt dat ik het goed gedaan heb. Ze feliciteert en condoleert ons met onze zoon. De verpleegkundige maakt foto’s van Bram en wikkelen hem in een doek. ‘Wil je je zoon bij je hebben?’ vraagt ze. Ik wil niets liever dan dat en pak Bram voorzichtig van haar aan en leg hem op mijn borst. Het mooiste en het verdrietigste moment uit mijn hele leven.

Daar lig je dan op mijn borst, lieve Bram. Wat ben je mooi. Het mooiste kindje dat ik ooit heb gezien. Je lijkt heel erg op je papa, behalve je lippen en je handjes want die heb je van mij. Je bent helemaal compleet. Een prachtig gaaf gezichtje, tien vingertjes en tien teentjes en zo keurig op gewicht met je drie kilo. Ik kan niet genoeg naar je kijken, ons lieve kindje wat ben ik trots op je. Er komt een klein beetje bloed uit je neus. Eric pakt een doekje en veegt je prachtige neusje af. ‘Waarom leef je nu niet? Waarom kunnen we je straks niet mee naar huis nemen?’ Mijn hart doet zo’n pijn, zo vreselijk erg. De verpleegkundige vraagt of we beschuit met muisjes willen, maar dat hoeft niet van mij. Ik vraag of we even alleen mogen zijn en zo zijn we even met z’n drieën, zoals het hoort. Als een gezin.

Ik kus je gezichtje en Eric veegt steeds je neusje af. Ik ben zo uitgeput van de afgelopen vier dagen dat ik even mijn ogen dicht doe. Je ligt nog steeds op mijn borst. Zo zou ik voor altijd willen blijven liggen. Samen slapen en nooit meer wakker worden. Voor altijd met jou verbonden zijn. Ik wil je niet laten gaan, onze lieve Bram.

Ik val voor even in slaap maar schrik vrij snel wakker, omdat de fotograaf de kamer binnenkomt. Het is een stevige, vriendelijke man. Een warm persoon dat voel je meteen. Hij feliciteert en condoleert ons met Bram. Ik glimlach vriendelijk naar hem en vraag of hij dit vaker doet. Hij vertelt dat hij de vaste fotograaf in het ziekenhuis is, een medisch fotograaf. Ik knik vriendelijk en ben verbaasd dat ik überhaupt interesse in iemand kan tonen, maar blijkbaar lukt dat. De eerste foto’s worden van Eric en Bram samen gemaakt. Ik kijk toe en huil. Daarna wordt Bram op de commode gelegd. Hij fotografeert zijn lijfje, zijn voetjes en zijn handjes. ‘Dat is alles wat we straks nog van je hebben.’ denk ik. De laatste foto’s worden van Bram en mij samen gemaakt. Naast mijn verdriet voel ik enorme trots. Dit is ons kind, jij hebt ons vader en moeder gemaakt.

Wanneer de fotograaf zijn spullen inpakt, komen mama en Frans langs. De fotograaf belooft de foto’s op een cd te zetten en deze vandaag nog naar ons toe te brengen, daarna verlaat hij de kamer. De verpleegkundige legt Bram weer terug bij mij op mijn borst. Mama aait mijn hoofd en huilt. We zeggen niet veel. Het verdriet vult de hele kamer.

WAAROM IS HET ALLEMAAL ZO GELOPEN? WAAROM LEEF JE NIET MEER, LIEVE LIEVE BRAM?

Niet veel later komt de kinderarts om te schouwen. Even ben ik bang dat de vader van een pianoleerling, die kinderarts is, de kamer binnen zal komen. Gelukkig verschijnt er een jonge vrouw. Ze stelt zich aan ons voor en tilt Bram van mijn borst. Ze legt hem op de commode en verricht wat korte onderzoeken, daarna legt ze Bram bij mijn mama op schoot. Zo zit mama even met Bram. Vanuit mijn bed kijk ik naar mijn moeder en naar ons kind. De tranen rollen over mijn wangen. Het is zo oneerlijk! Mama legt Bram weer terug bij mij. ‘We laten jullie even met z’n drieën.’ Net als mama en Frans de kamer verlaten, komen de ouders van Eric binnen. Ook zij moeten vreselijk huilen. ‘Wat een mooi kindje.’ zeggen ze. Ik lig nog steeds met Bram op mijn borst. De moeder van Eric wilt Bram ook graag vasthouden, maar hij is zo slap dat ik hem niet durf te geven. Bang dat er wat gebeurd. Ze begrijpt het en laat Bram bij mij liggen. ‘Het zijn de laatste momenten dat ik met mijn kindje kan liggen, ik wil je nooit meer loslaten.’ We kijken allemaal naar Bram en zijn allemaal trots op het prachtige kindje, want dat is hij, zo’n mooi babytje. En zo zitten we voor een tijdje.

De ouders van Eric blijven niet zo lang. Als ze de kamer verlaten, sta ik op uit bed om naar het toilet te gaan. De verpleegkundige legt Bram in zijn mandje. Ik ben moe van alles. Mijn lijf is op, mijn geest is op, alles is op. Ik zou willen verdwijnen, weg uit deze situatie. Wanneer ik uit het toilet loop, zie ik hoe liefdevol Eric steeds het beetje bloed uit Bram zijn neusje veegt. Hij zou vast een geweldige papa zijn. Ik voel mijn keel droog worden en weer komt die onmetelijke pijn opzetten. Een pijn die diep in mijn hart steekt. ‘Waarom heb ik Eric geen levend kindje kunnen schenken?’

De rest van de ochtend zitten we samen op bed en aaien Bram in zijn mandje. We geven hem kusjes en zeggen lieve woordjes tegen hem. We beseffen ons heel goed dat we nog maar voor heel eventjes met z’n drieën zijn. Niet veel later komt Ciska om naar Bram te kijken. ‘Wat een mooi kindje. Het is net alsof hij slaapt!’ Ook Jacqueline, Eric en hun drie meiden Anouk, Julie en Sterre komen langs. Sterre brengt wat verlichting. Het is mooi om te zien hoe een kindje met down omgaat met verdriet. Ze zegt steeds ‘Baby Bram slaapt. Zal ik toveren met mijn toverstaf dan wordt hij vast weer wakker!’ Jacqueline legt uit dat baby Bram niet meer wakker zal worden. Dat is moeilijk te begrijpen voor haar. Als ze naar mij kijkt ziet zij mijn verdriet. ‘Margreet, pijn in haar buikje?’ Door mijn tranen heen lach ik om Sterre.

Als iedereen weg is, nemen we afscheid van Bram. We kussen hem op zijn voorhoofd. ‘Dag lief kindje, dag lieve Bram.’ De verpleegkundige tilt het mandje op en neemt Bram mee naar de patholoog voor de obductie. Eigenlijk wil ik niet dat ze in ons kindje gaan snijden, maar het is belangrijk te weten waarom Bram zo plotseling overleden is. ‘Dag lieve Bram’ zeg ik nog een keer.

De arts-assistent komt onze kamer binnen en zegt ons gedag. Ze heeft mij naast de gynaecoloog begeleidt tijdens de bevalling. Ze wenst ons met tranen in haar ogen heel veel sterkte toe. Ik vraag mij af of dit haar eerste bevalling van een doodgeboorte is, maar durf het niet te vragen. Als ze weg is, komt de verpleegkundige om het infuus uit mijn rug te verwijderen. Ik ben nog niet uit bed geweest en door de bevalling zijn mijn benen een beetje instabiel. Rustig ga ik op de rand van het bed zitten en raak voorzichtig met mijn tenen de grond aan. De verpleegkundige vraagt of het allemaal lukt. Nog een klein stukje en mijn beiden voeten staan op de grond. Het gaat gelukkig goed en ik kan zonder hulp zelf naar de doucheruimte wandelen. Ik pak mijn spulletjes uit mijn toillettas en stap onder de douche. Ik kijk naar de kleine flesjes shampoo en cremespoeling en denk terug aan het moment dat ik ze kocht.

Het was een prachtige zonnige zomerdag. Wachelend liep ik samen met Ciska en Eric met mijn dikke buik door de stad. We kochten handige spulletjes en gingen gezellig lunchen. Vol energie zijn we daarna nog naar het tuincentrum gegaan om planten te kopen voor Ciska haar voortuin. In de middag hebben we met elkaar de planten in de tuin gezet. Een heerlijke dag!

Ik knijp de shampoo uit het flesje en was mijn haar. Het lijkt wel of ik niet meer goed kan nadenken. Alles voelt onwerkelijk. Zelfs het wassen van mijn haar voelt niet echt. De verpleegkundige vraagt of ik al heb geplast, maar het lukt niet. ‘Je moet zelf plassen hoor mevrouw, anders kunt u niet naar huis.’ Ik huil en ben het zo zat. Het ziekenhuis, het gedoe aan mijn lijf. Ik heb zin om heel de badkamer met een bijl kapot te rammen. Net zoals mijn toekomst kapot is geslagen.

Het warme water stroomt over mijn lijf. Ik probeer mij te focussen op het plassen. Zachtjes fluit ik, meestal helpt dat. ‘Kom maar onder de douche vandaan mevrouw, dit heeft geen zin.’ In alles laat mijn lijf mij in de steek. Nu kan ik niet eens meer zelf plassen. Woedend ben ik. ‘Ik hoef niet te plassen’ zeg ik kwaad, maar daar gelooft de verpleegkundige niets van. ‘Sinds wij het katheter hebben losgemaakt, bent u nog niet naar het toilet geweest, mevrouw. U zult nu echt wel moeten plassen. We gaan u eenmalige katheteriseren.’ Ik ben woest en begin keihard te huilen. ‘Ik wil niet meer, ik wil niet meer. Ik wil niet meer. Is het nu verdomme klaar met al het gedoe aan mijn lijf?’

De verpleegkundige legt het katheter aan. ‘Ziet u mevrouw, 600 ml urine.’ ‘Hoe kan dat nu?’ vraag ik verbaasd. ‘Ik voel helemaal niet dat ik moet plassen.’ Ze legt uit dat dat door de bevalling komt. ‘U moet nog even blijven, totdat u zelf kunt plassen, dan mag u naar huis.’ Vermoeid kijken Eric en ik elkaar aan. We willen naar huis en nu moeten we hier weer op wachten, wat een gezeik. Af en toe komt de verpleegkundige binnen om te vragen of ik al heb geplast. Godzijdank dient na een uur het gevoel van te moeten plassen zich aan. Ik stap op uit de stoel en voel mijn benen wankelen en de hele ziekenhuis kamer draait om mij heen. Net voordat ik tegen de vlakte ga, grijpt Eric mij beet en begeleidt mij naar het toilet. Als ik zit, grijp ik de armleuningen vast. ‘Blijkbaar ben ik toch nog niet zo stabiel.’ Ik begin zachtjes te fluiten. Ik wacht en wacht en wacht en dan is daar na tien minuten fluiten gelukkig de eerste druppel. ‘Eric, ik kan weer zelf plassen. Druk maar op de bel dan kunnen we naar huis!’

De verpleegkundige komt de kamer binnen gelopen met een rolstoel. Zelf vind ik dat ik prima kan lopen, maar daar denkt zij blijkbaar anders over. Ze tilt mij in de stoel. Ik kijk nog een keer achterom. ‘Dit is de kamer waar onze Bram is geboren, waar mijn leven voorgoed veranderde.’ We lopen door de gang naar de lift. Eric is alvast naar beneden gegaan om de auto aan de achterkant van het ziekenhuis neer te zetten. Zo hoeven wij niet door de hoofduitgang naar buiten. De verpleegkundige en ik wachten bij de achteruitgang. Het is de plek waar ik de eerste wee kreeg. Ik kijk naar het rozenperkje en voel dat er een traan over mijn wang loopt. Ik voel mij zo leeg, alsof de leegte een parasiet is die mij van binnen langzaam opvreet. Elke dag die verstrijkt is een dag langer zonder Bram, elke dag wordt de leegte groter en vreet hij mij langzaam op. Wat is er straks nog van mij over? In de verte hoor ik dat de verpleegkundige vraagt wat voor werk ik doe. Ik kan er amper op antwoorden. Mijn passie om over mijn werk te vertellen ben ik bij het verlies van Bram ook verloren. Ik hoop dat Eric snel met de auto komt. Weg van dit ziekenhuis, weg. Ik wil weg.