Stilte

Op 3 augustus 2015 stortte onze wereld in.
Wat een mooie maandag had moeten worden veranderde ’s ochtends in een nachtmerrie.

Vroeg in de morgen werd ik wakker met een vreemde buikpijn, die ik niet goed kon plaatsen. Mijn buik voelde zwaar en het zeurde aan de zijkant.
Om mijn onzekerheid weg te nemen, luisterden we samen met de doppler naar jouw hartje en gelukkig klonk daar in de verte jouw vertrouwde hartslag.
Ik stond op uit bed en Eric maakte het ontbijt. De buikpijn was er nog steeds, dus besloot ik in bad te gaan om te ontspannen. In bad werd de buikpijn steeds erger en het zeurderige gevoel trok het door heel mijn buik.
‘Zou je vandaag geboren worden?’ dacht ik. Een glimlach verscheen op mijn gezicht, want ik hoopte dat ik je eindelijk ging zien. Na zevenendertig weken in mijn buik te hebben gezeten, was ik zo nieuwsgierig hoe je er uit zou zien.

En toen werd in een klap ons toekomstbeeld kapot geslagen.

De verloskundige kwam en zocht naar jouw hartslag. Waar tot nu toe elke dag jouw vertrouwde hartje klonk, zweeg de stilte.
Al liggend op het bed keek ik naar Eric.
Eric, mijn lieve man, die mij heel de zwangerschap gerust stelde met lieve woorden, die elke keer weer geduldig met de doppler op mijn buik zocht naar het hartje van ons kindje maar nu met grote bange ogen mij terug aankeek. Door het raam staarde ik naar de toppen van de bomen waar de wind zacht doorheen blies.
‘Ik hoor geen hartslag meer, ik hoor geen hartslag meer, ik hoor geen hartslag meer’. De woorden die de verloskundige sprak denderden als een sneltrein door mijn hoofd. Ik was bang, zo vreselijk bang.
Hoopvol keek ik naar de blik van de verloskundige en zocht geruststelling in haar ogen, maar vond die niet. In plaats daarvan zag ik een lijkbleek gezicht en angst.
Ze pakte haar telefoon en belde direct naar het ziekenhuis.
Ik vreesde het ergste en riep dat ons kindje vast gedraaid lag. De verloskundige zweeg.

We reden naar het ziekenhuis. Ik huilde zacht en zat met een verdoofd lijf in de bijrijder stoel. De verloskundige zei niet veel, behalve dat alle stoplichten op rood stonden. Eric reed achter ons. Ik kon alleen maar aan ons kindje denken.

In het ziekenhuis werd ik direct naar de verloskamer gebracht. In een rap tempo werd het echo apparaat aangesloten. De verloskundige, de gynaecoloog en de verpleegkundige arriveerden.
Eric kwam binnen en stond naast mijn bed. Hij hield mijn hand vast en keek met een gespannen blik naar het echoscherm. Ik durfde niet te kijken.

‘Het spijt ons, maar de baby is overleden’.

Waar we voorheen met vertedering naar het schermpje keken, daar bewoog nu niets meer.
Je hartje was gestopt met kloppen.
In een keer werd alle hoop voor de toekomst weggenomen.

WAAROM?

Ik was woest en kon het niet geloven. Ik schopte tegen de kasten, stampte op de grond en schreeuwde het uit. ‘Hoe kon dit waar zijn?’
‘Hoe kon dit gebeuren?’
‘Waarom bij ons?’
‘Haal het uit mij, ik wil een keizersnede’.’

De gynaecoloog zei niet veel.
‘Uw baby is overleden’.

We moesten naar huis om alles te laten bezinken en werden de volgende dag om negen uur ’s ochtends verwacht in het ziekenhuis.
In een roes stapten we in de auto. De secondes leken wel dagen en de minuten wel jaren. Geen vooruitzicht meer, een weggegooid jaar, een leven zonder toekomst, zonder ons lieve kindje.
De bevalling, waar ik eerst nog zo naar uitkeek, leek nu mijn eigen doodvonnis. Een dood kind baren, een onmogelijke opgave.
Hoe we de middag verder thuis zijn doorgekomen, ik weet het niet meer. Het is een groot zwart gat.
’s Avonds bracht mijn moeder Indisch eten. Zwijgend aten we de tahoe, boontjes en rijst. Mijn moeder aaide over mijn bol en ik huilde. Warme tranen rolde over mijn wangen. Mijn hart dat gevuld was met zo veel liefde voor ons kindje, daar staken nu honderd duizend messen in.
Ik voelde letterlijk pijn in mijn hart. Een pijn, die ik in mijn hele leven nog nooit gevoeld had.

Die nacht deed ik geen oog dicht. Het onweerde en het regende. Miljoenen tranen.
Ik legde mijn hand onder mijn borst op mijn buik. De dagen hiervoor schoof je met je billen tegen mijn hand en bewoog je zachtjes heen en weer. Op zulke momenten voelde ik mij zo intens gelukkig, want dan was jij bij mij en kon ik heel de wereld aan. Kon ik dat gevoel maar terug halen.
Ik mis je zo vreselijk.