4 augustus 2015

Om 09.00 ’s ochtends komen we aan in het ziekenhuis.

Het personeel heeft ons gelukkig in een aparte gang gezet, zodat we niet geconfronteerd worden met de blije geluiden die horen bij een geboorte. In dezelfde verloskamer als gisteren staan twee bedden klaar. Een bed voor mij en een bed voor Eric. Ik kijk rond in de kamer. De herinneringen aan gisteren dringen zich aan mij op. De tranen komen weer en ik voel weer die vreselijk stekende pijn in mijn hart. Het is geen droom. Ons kindje is dood en ik moet gaan bevallen van een dood kind.

WAAROM, WAAROM, WAAROM?

Ik lig in het bevallingsbed en voel mij leeg, zo leeg. Zachtjes huil ik terwijl Eric mijn hand aait. We zijn beiden zo vreselijk bang. Een heel team aan ziekenhuispersoneel verschijnt. De gynaecoloog, twee arts-assistenten en een verpleegkundige. Ze zijn allemaal heel erg lief, begripvol en bezorgd. Ze leggen uit dat ik om de drie uur weeën opwekkers toegediend krijg. Om tien uur krijg ik de eerste portie pillen. Weer moet ik vreselijk huilen. Ik moet ontspannen, want dan kan de arts-assistent de pillen beter inbrengen. Hoe kan ik ontspannen in deze vreselijke situatie? Ik verkramp en het doet vreselijk veel pijn. Opgelucht haal ik adem als het gebeurd is, maar ik moet ook weer huilen. Huilen van de spanning, huilen om de hele situatie. De arts-assistent aait mijn been en zegt dat ik het goed gedaan heb. Daarna laat ze ons met rust.

We zijn samen in een verloskamer die stamt uit de jaren tachtig. De gordijnen zijn verkleurd, de televisie is er een uit mijn geboortejaar en mijn moeder merkt op dat er in de verloskamer in die dertig jaar aan het interieur niets veranderd is. Ik kijk naar buiten naar het nieuwe ziekenhuis dat al helemaal af is en over drie weken open zal gaan.

‘Het nieuwe ziekenhuis,’ we spraken er nog over tijdens de zwangerschapscursus. Mijn uitgerekende datum was zo rond de opening. Ik grapte dat ik het al zag gebeuren dat ik precies tijdens de opening zou bevallen en dat ik dan al barend op een brancard van het oude naar het nieuwe ziekenhuis gereden zou worden. Toen maakte ik nog grapjes. Zou ik ooit nog grapjes kunnen maken of ben ik al mijn humor gisteren op de zwartste dag van mijn leven verloren?

Er wordt op de deur geklopt. Petra, de verpleegkundige die ervaring heeft met doodgeboortes, komt met ons praten over wat er allemaal geregeld moet worden. Ik probeer te luisteren, maar het lijkt net of ik er zelf niet bij ben. Alsof Petra en Eric in een sombere film spelen en ik er naar kijk. Wanneer Petra weg is, probeert Eric zijn gedachten te ordenen. Er moet een hoop geregeld worden. Hij ratelt over de crematie, aangifte doen, de overlijdensakte en de ceremonie regelen. Het duizelt mij allemaal. Eric vraagt wat ik er allemaal van vind en hoe we het gaan doen. Het lijkt wel of ik niet meer kan nadenken. Ik staar naar het plafond en merk dat ik geïrriteerd raak over al die vragen. Een minuut later voel ik enorm veel spijt naar Eric toe. Hij doet zo vreselijk zijn best in deze situatie. Hij probeert alles te regelen, heeft zijn eigen verdriet en wilt mij steunen. Ik geef hem een kus en zeg dat ik heel veel van hem hou. We moeten het samen doen, samen door dit verdriet en vechten voor een toekomst. Een toekomst zonder ons lieve kindje. Wat is het leven oneerlijk. Wat een klote leven.

Het is een drukke middag. De meest dierbare mensen in mijn omgeving zijn gekomen. Mijn moeder en Frans, Eric’s ouders, Ciska en Jacqueline. Het is fijn om ze om mij heen te hebben. Via de Whats-app heb ik ook anderen op de hoogte gebracht. Om de haverklap gaat mijn telefoon af. Vrienden, collega’s, ouders van piano-leerlingen, iedereen is vol ongeloof en dat ben ik zelf eigenlijk ook nog steeds.

Terwijl het bezoek naast mijn bed zit en kletst, voel ik aldoor aan mijn buik. Negen maanden lang heb ik verlangd naar het moment dat ons kindje ter wereld zou komen, hebben we gefantaseerd over een toekomst met dit kindje en nu moet ik bevallen van een kindje dat overleden is. Ik begin weer te huilen en voel de stekende pijn in mijn hart. Mijn moeder aait mijn hand. Ze probeert zich sterk te houden, maar ik voel haar verdriet. Haar eerste kleinkind leeft niet meer en haar eigen kind is ontroostbaar.

Wanneer het bezoek weg is, komt de arts-assistent om de tabletten toe te dienen. Elke drie uur moet ik mij er weer toe zetten. Benen optrekken, billen in het bed drukken en ontspannen. De arts-assistent voelt aan mijn baarmoedermond, maar die doet nog vrij weinig. Ik vraag mij af hoelang het in godsnaam nog moet duren voordat de bevalling komt. ‘Er is anderhalve centimeter ontsluiting.’ zegt de arts-assistent. ‘Dat was het drie uur geleden ook. Dit schiet helemaal niet op.’ De pillen worden ingebracht en ik crepeer van de pijn. Ik probeer mij te focussen op de ontspanning, maar het lukt amper. Ik duw mijn billen nog dieper in het bed, want dat zou moeten helpen. Niets helpt in deze verdomde klote situatie. Als de pillen er in zitten moet ik weer vreselijk huilen.

Eric heeft ondertussen een uitvaartonderneemster gebeld die gespecialiseerd is in kinderuitvaarten. Ik ben doodmoe. ‘Waarom moet ik dit allemaal regelen?’ ‘Het moet, het moet, het moet.’ zeg ik hardop tegen mijzelf. ‘Het is het laatste wat we voor onze lieve kindje kunnen doen.’ Na een half uurtje wachten komt de begrafenisonderneemster voor een vrijblijvend gesprek. Ik probeer mij op het gesprek te richten, maar dwaal steeds af.  Er komen verschillende opties langs over wat er mogelijk is. Eigenlijk willen we niet zo veel van haar. Eric wilt graag zo veel mogelijk zelf voor het afscheid van ons kindje regelen. Hij wilt zelf samen met zijn vader aangifte doen bij het gemeentehuis. Verder willen we op de dag van de crematie en de afscheidsbijeenkomst ons kindje in een mooi rieten mandje bij ons thuis hebben. We willen zelf iets moois zeggen en als anderen dat willen doen, mag dat ook. De ceremonie kan gewoon bij ons thuis gehouden worden, want we willen alleen onze naasten er bij hebben. Blijkbaar is de vorm waarin wij het afscheid willen nogal lastig. De uitvaartonderneemster ratelt maar door over opbaren bij haar thuis of bij ons thuis, rouwvervoer, aangifte voor ons doen. Kosten dit, kosten dat, bla bla bla. Ik heb er opeens schoon genoeg van en draai mij van Eric weg. ‘Het is te veel voor haar. Misschien moet u morgen terug komen.’ hoor ik Eric zeggen.

’s Avonds komt een collega en zijn vrouw langs. Zo’n twintig jaar geleden zijn zij bij een zwangerschap van vijfentwintig weken hun kindje verloren. Na het verlies van hun eerste kindje hebben zij drie gezonde kinderen gekregen. Hun verhaal biedt troost en de gedachten dat ik nooit moeder zal worden van een levend kindje wordt voor even naar de achtergrond geduwd. Als zij naar huis gaan, zie ik dat het buiten al donker is geworden. De laatste pillen worden toegediend. De ontsluiting staat nog steeds op anderhalve centimeter. Ik raak er van in paniek. Stel je voor dat ik hier nog drie dagen lig te wachten op de bevalling. Nog drie dagen met een dood kindje in mijn buik. De tranen rollen over mijn wangen. De arts-assistent probeert mij te kalmeren en legt uit dat het met deze medicatie opeens snel kan gaan, ook al lijkt het daar nu niet op. Ik hoop er maar op.